Kennis van zaken

Alles over boeken, schrijven, uitgevers etc.
Gebruikersavatar
Harry G. Hogeboom
Berichten: 11721
Lid geworden op: 22 jul 2004 02:07
Locatie: Canada

Re: Kennis van zaken

Bericht door Harry G. Hogeboom »

Dat was een heel korte, maar erg dure oorlog die de Engelsen van december 1867 tot mei 1868 voerden tegen keizer Theodore II van Ethiopië.
WEL verduld schipper, ik heb hier ergens een boek die over die bewuste expeditie gaat, vanuit ergens in de Rode Zee trekken die Engelsen Ethiopie in. Werkelijk onvoorstelbaar als je die details leest. Kan het boek niet vinden, moet me maar eens een goed electronisch index programmatje aanschaffen :oops:
Ach, Jos, wat moet ik met nog meer geld?
Daaar zouden we een nieuw topic over kunnen openen, iets onder de titel van:

" WAT gaan "we" doen met het TEveel aan geld van Horsten" :lol: IK zal m'n vrije tijd op offeren om als penningmeester te gaan fungeren! :mrgreen: Drachme's???
MVG HGH.
"Don't sweat the small stuff"


Gebruikersavatar
Theo Horsten (R.I.P.)
Berichten: 7820
Lid geworden op: 21 jul 2004 22:57
Locatie: N.Griekenland
Contacteer:

Re: Kennis van zaken

Bericht door Theo Horsten (R.I.P.) »

een goed electronisch index programmaatje
Klik HIER. Er IS geen betere en ik spreek uit zeer ruime ervaring. De overigen is een hoop werk en dan ook nog niet wat je eigenlijk wilt hebben.
Gratis te proberen met een beperkt aantal boeken. Kopen voor 25 of voor 40 euro. Ik raad die van 40 euro aan. Gebruik hem intussen alweer tien jaar of zo.
Een screenshot van wat ik de prettigste presentatie vind, maar er is keuze genoeg.

Afbeelding
Drachme's???
Nee, natuurlijk niet. Euro's, aan de rol, gedrukt op milieuvriendelijk papier dat tevens zacht voor de billen is. :oops:
Omnia transit sed navigare necesse est

Gebruikersavatar
jdbvos
Berichten: 7592
Lid geworden op: 22 apr 2006 16:17
Locatie: Groningen
Contacteer:

Re: Kennis van zaken

Bericht door jdbvos »

Aldislamp en seinvlaggen en verder niks
:shock: weet ik ook nog.....en zó oud ben ik toch nog niet (62)....?
Wanneer je de Thames opvoer had je om de zoveel afstand een klein gemetseld stenen 'lokethokje' staan op de oever, opvarend aan sb-zijde.
Je vier seinvlaggen in de mast+ eventueel verzoek om de loods.
Vanaf die hokjes werd dan door een observer de tijd doorgebeld en de gegevens van het passerende schip, en bij Londen kwam dan altijd keurig op tijd de loods aanvaren, die je naar de betreffende wharf of haven dirigeerde
In mijn herinnering ongeveer bij dat ouwe "zw/w" zeil-marineschip (, waarvan ik de naam maar niet kan onthouden...)

Die hokjes zagen er in mijn herinnering ongeveer zó uit...ca 1,5 x 1,5 x 2,5 m, van die rozerode grotere bakstenen en een betonnen overstekend dakje; met altijd dat zwarte gat waar je nooit iemand zag....
Maar de echte nautici zullen het wel beter kunnen beschrijven; tenslotte ben ik maar ong 2,5 mnd bestman geweest, en da's niet echt een stuurman....tóch?
Bijlagen
Naamloos.jpg
Naamloos.jpg (14.99 KiB) 3609 keer bekeken
Oost, west...ook best

Gebruikersavatar
Theo Horsten (R.I.P.)
Berichten: 7820
Lid geworden op: 21 jul 2004 22:57
Locatie: N.Griekenland
Contacteer:

Re: Kennis van zaken

Bericht door Theo Horsten (R.I.P.) »

Mooi vogelhuisje, Jan. :-D
Doet me denken aan een bouwtekening uit de Na Vijven van vroeger.

Zie verder HIER.
Omnia transit sed navigare necesse est

Wim Plukker
Berichten: 506
Lid geworden op: 03 sep 2006 17:02

Re: Kennis van zaken

Bericht door Wim Plukker »

Prachtig stuk weer Theo!

Die laatste alinea deed me een blik op de boekenkast werpen waar " The Plimsoll Sensation" door Nicolette Jones in staat. Ooit gekocht bij Magrudy's boekhandel in Deira City Centre, Dubai. De twee Vanity Fair karikaturen van Bates en Plimsoll staan er ook in maar wat na lezing zo'n 8 jaar geleden nu niet direct een associatie bij mij opriep is het verhaal van de Euxine welke er ook in voorkomt.

Dus deze er maar even bij gepakt in afwachting van je vervolg.

M.v.g.

Wim
"Beauty is in the eye of the beholder"

Gebruikersavatar
Theo Horsten (R.I.P.)
Berichten: 7820
Lid geworden op: 21 jul 2004 22:57
Locatie: N.Griekenland
Contacteer:

Re: Kennis van zaken

Bericht door Theo Horsten (R.I.P.) »

The Plimsoll Sensation van Nicolette Jones ligt hier naast me, Wim. En ik heb het op de iPad staan vanwege het gemakkelijke zoeken. Maar eh... ik had eigenlijk verwacht dat jij wel iets te zeggen zou hebben gehad over aflevering 7, over het verzekeringsaspect van het verhaal en dan speciaal over de Amsterdamse beurs. :-D

Overigens heb ik nu pas ontdekt dat Samuel Plimsoll bepaald niet onomstreden was. Sommigen vinden het niet juist dat hij met de hele eer van het naar hem genoemde merk is gaan strijken.
Eerst de Euxine maar eens afhandelen. Hoe ik daarna verder ga en hoe ver ik nog ga, daar ben ik nog niet helemaal uit.
Omnia transit sed navigare necesse est

Wim Plukker
Berichten: 506
Lid geworden op: 03 sep 2006 17:02

Re: Kennis van zaken

Bericht door Wim Plukker »

Daar zijn eigenlijk 2 redenen voor Theo.
Ten eerste kwam deel 7 uit op 17/01, 2 dagen voor ik afgelost werd en dan zijn het de afronding van mijn torn en een juiste overdracht die de aandacht vragen.
Ten tweede zag ik op dat moment niet in dat ik nog iets waardevols kon bijdragen aan de hand van het boek van Sabine Go.

Ik zal het nog eens kritisch en op mijn gemak herlezen hier en nu tussen de winterse buien door en wellicht komt er dan nog wel iets waardevols tevoorschijn 8)

M.v.g.

Wim
"Beauty is in the eye of the beholder"

Wim Plukker
Berichten: 506
Lid geworden op: 03 sep 2006 17:02

Re: Kennis van zaken

Bericht door Wim Plukker »

Toch nog iets gevonden, het verschil in premie...


In deel 7 van Theo’s longread “Kennis van zaken” is onder meer te lezen dat een scheeps- of lading verzekering aan de Amsterdamse beurs afgesloten bijna het dubbele moest kosten aan premie in vergelijking met eenzelfde verzekering bij Lloyds. Als reden geeft hij op dat de kapitaalmarkt in London al veel verder ontwikkeld was en een veel grotere omvang had waardoor meer risico kon worden genomen. Door de omvang van de verzekeringsmarkt in London werd daar ook voor het eerst herverzekering toegepast, een instrument om het voor de verzekeraar mogelijk te maken om zijn risico verder te spreiden en inkomsten te stabiliseren.

Vervolgens heeft de oprichting van de Nederlandsche Handel-Maatschappij door onze koopman/koning Willem 1 op 09-03-1824 door zijn protectionistische handelswijze de boel hier flink laten inslapen met vaste vracht tarieven maar ook met niet markt conforme verzekeringspremies.

Uit “Marine Insurance in the Netherlands 1600-1870” Door Sabine Go:

“As the group of underwriters in the Netherlands increased, due to the NHM, either the capital base of the Dutch insurance had to be increased or an efficient reinsurance industry had to be developed, if the continuation of the insurance market was not to be endangered.”

“Clearly, London’s facilities proved to be superior to the Dutch industry.”

Overigens is “Marine Insurance” en al zijn derivaten een onderwerp waar je jaren op kunt studeren.

M.v.g.

Wim
"Beauty is in the eye of the beholder"

Gebruikersavatar
Theo Horsten (R.I.P.)
Berichten: 7820
Lid geworden op: 21 jul 2004 22:57
Locatie: N.Griekenland
Contacteer:

Re: Kennis van zaken

Bericht door Theo Horsten (R.I.P.) »

-------------------------------------------------------------------------------------------------Kennis van zaken (9)

---------------------------------------------------------------------------Afbeelding
---------------------------------------------------------------------------------------------------De rede van Batavia
--------------------------------------------------------------------------------Aquarel Cornelis Frederik Stavenisse de Brauw (1801-1864)


Afbeeldinget nu volgende is een onverkorte, naar inhoud getrouwe vertaling van de verklaring die James Archer, 2de stuurman van de EUXINE, begin november 1874 aflegde tegenover de Britse consul in Batavia, in het toenmalige Nederlands-Indië. Om de leesbaarheid in het Nederlands te verbeteren, heb ik alleen de interpunctie zo hier en daar aangepast en een aantal zinnen ofwel afgekapt, of samengevoegd. Deze verklaring werd op 16 november 1874 integraal gepubliceerd in The Singapore Daily Times.
    • Ik, James Archer, 24 jaar oud en geboren in Dundee, was in het bezit van een diploma als tweede stuurman en deed als zodanig dienst aan boord van het Britse schip Euxine met thuishaven Liverpool en gevoerd door kapitein Peter Murdoch. Het schip vertrok op 11 juni 1874 uit North Shields met een volle lading kolen bestemd voor Aden.

      Aanvankelijk was het goed weer, maar op 1 augustus kwamen we in zeer zwaar weer en voeren met alleen de voor- en onderbramzeilen. Het schip werd door een zware zee getroffen waardoor de man-over-boordboot werd weggeslagen en de lading overging. Ook sloeg een bemanningslid, Samuel Johnson, overboord. Hij kon niet worden geholpen en verdronk.
      Probeerden die morgen om 06.00 uur te halzen. Terwijl we voor de wind voeren, probeerden we het voorbramzeil te bergen, maar tijdens die pogingen scheurde het en waaide aan repen.
      Tegen de middag werd het weer iets handzamer. Gingen alle hens het ruim in om de kolen te trimmen en het schip recht te werken. Op de middag van 3 augustus verbeterde het weer. Werkten het schip recht en zetten zeil.

      Zagen die middag van de 3de augustus rook opstijgen uit de luchtkokers van het voor- en grootluik. Begonnen met het werpen van lading en pompten tegelijkertijd water in de ruimen. Veranderden koers naar het noordoosten, in de richting van St. Helena. Voordien was E.S.E. gestuurd. Controleerden de volgende morgen om 06.00 uur de tussendeksluiken. Die waren erg heet, maar zagen vooralsnog geen vuur.
      Op de morgen van de 6de was het in mijn hut erg warm en er was veel gas. Het schip voer onder grootbovenmarszeil en voorstengestagzeil. Hielden de luiken en alle ventilatiekokers de gehele dag gesloten.
      Om 07.00 uur die avond was er een explosie en vlogen alle luiken open. Er steeg rook en een vonkenregen op. Sloten de luiken weer en draaiden de sluitbalken aan.
      Terwijl we op 7 augustus nog steeds bijgedraaid lagen, vlogen de luiken twee of drie keer open. Ontdekten om 04.00 uur brand naast de houten ventilatiekoker in het grootluik. Pompten met de perspomp water in het ruim. Een aantal bemanningsleden was bezig de boten te voorzien van proviand en drinkwater. De luiken vlogen er om het halfuur af waarna we die telkens weer dichtmaakten.
      Die 6de augustus werd het in het grootluik zeer heet. Hielden de perspomp voortdurend gaande. Waren om 01.00 uur v.m. genoodzaakt de boten te strijken. Om 5 uur die middag verliet de gehele bemanning het schip, maar bleven in de buurt en dreven de hele avond en nacht rond. Zagen de vlammen uit het grootluik slaan.
      Op de morgen van de 9de ging kapitein Murdoch samen met de eerste stuurman en de bootsman terug aan boord en constateerden dat de brand zich snel uitbreidde. Het dek brandde aan de onderkant en de coamings van het grootluik waren erg heet. Daarna keerde ze terug naar hun respectievelijke boten, drie boten als volgt verdeeld. In de eerste boot de kapitein met veertien man, in de tweede boot de eerste stuurman met zeven man en in de derde boot de tweede stuurman met zeven man, in totaal eenendertig man. Ze hadden drie kazen en vier hammen meegenomen en die werden over de boten verdeeld.
      (Zie noot 1-TH)
      Toen ze de proviand inspecteerden, bleken er behalve die kazen en hammen twee kleine vaatjes water, twee kisten scheepsbeschuit en 12 of 13 blikken bouilli aan boord te zijn. De kapitein zei dat zijn boot het snelst zeilde en dat ze bij elkaar moesten blijven om het dichtstbijzijnde land te bereiken, wat St. Helena was.
      Op 9 augustus vertrokken ze om 09.00 uur van het schip, maar voordat het donker werd, was de boot van de kapitein vooruit al uit het zicht verdwenen en werd de boot van de eerste stuurman voor het laatst gezien. Toen ze het wrak verlieten moet hun positie 31 Zuid en 7 58 West zijn geweest. De eerste vierentwintig uur werd pal Noord aangehouden, waarna koers werd veranderd naar Noordwest ten Noorden, naar St. Helena.
      De eerste twaalf dagen bestond hun rantsoen uit twee scheepsbeschuiten, een pint water en een klein stukje ham en kaas zolang ze dat nog hadden. Op die twaalfde dag na het verlaten van het wrak bevonden ze zich volgens de gis op de breedte van St. Helena en 30 mijl ten oosten daarvan, waarna West werd gestuurd in de hoop het eiland te bereiken. Na twee dagen West te hebben gestuurd, maar geen land te hebben gezien, werd voorgesteld om te trachten te Braziliaanse kust te bereiken. Daartoe werd koers veranderd naar NW ten Westen terwijl de rantsoenen werden verminderd tot één scheepsbeschuit, een halve pint water en een beetje soep en bouilli per dag.
      (Zie noot 2-TH)
      Ik had het beheer over de proviand en de verdeling daarvan en dat gaf geen problemen of moeilijkheden. We moesten proberen om met het weinige dat we hadden zo lang mogelijk te doen en iedereen probeerde tevreden te zijn met wat hij kreeg. Er waren vooralsnog geen tekenen van uitputting, maar wel werd de dorst hevig gevoeld. Vingen twee of drie vliegende vissen.
      De boot voerde een grootzeil, een stagzeil en een fok. Er viel geen regen, afgezien van een keer wat lichte motregen die alleen maar als onaangenaam werd ervaren omdat die kleine druppels niet opgevangen konden worden.
      Het was prachtig weer en we maakten een goede voortgang naar de Braziliaanse kust, tot het op 27 augustus hard begon te waaien en er al spoedig een hoge zee stond. Om 11 uur die avond werd de boot door een zware zee getroffen en kapseisde waardoor ze met de kiel omhoog kwam te drijven. Ik zag samen met nog zes man kans om op de boot te klimmen, maar de jongen Reynolds raakte verward in de deken die hij om zich heen had geslagen waardoor hij geen kans zag om de boot te bereiken en verdronk. We probeerden de boot weer op te richten, maar hij draaide helemaal door en kwam opnieuw met de kiel boven te drijven. Dat gebeurde drie keer achter elkaar. We klommen weer op de kiel en bemerkten dat we de bootsman, Peter Jagar, misten. Probeerden nogmaals om de boot op te richten en dat gelukte, waarna we er alle zes inklommen. Bemerkten dat het kompas en de sextant verdwenen waren. Het resterende scheepsbeschuit dreef in het rond en de watervaten zaten nu vol met zeewater. Die werden overboord gegooid om de boot lichter te maken, want het water stond tot aan het dolboord en alleen de luchtkasten voorkwamen dat de boot zonk. De mast dreef aan het fokkestag voor de boot, maar terwijl we de boot aan het leeghozen waren waarbij de zee er telkens overheen sloeg, brak het stag en dreef de mast weg. Tegen daglicht slaagden we erin de boot leeg te hozen en vonden we een blik niertjessoep, de fok en de boegspriet, dat was alles wat er nog in de boot lag. Na dit incident voelden we ons allemaal erg zwak.
      Voordat de boot kapseisde, hadden we een stuk zeildoek langs het dolboord gespijkerd. Dat werd nu in drie stukken gesneden en met kabelgarens aan elkaar genaaid, waarna we het vastmaakten aan een halve riem die als mast dienst moest doen met een lat van de buikdenning als ra. Waren op de 28ste augustus wederom onderweg. Er liep nog steeds een hoge zee. We stuurden op de zon en maakten een vaart van ongeveer twee knopen. Op zaterdag 29 augustus waren de mannen zeer verzwakt. Zagen nergens aan de horizon iets. Op zondag 30 augustus waren de honger en dorst zo intens dat we zeewater begonnen te drinken, waarbij August Muller meer dronk dan de anderen.

      Op 31 augustus begon August Muller wartaal uit te slaan, waarschijnlijk als gevolg van het vele zeewater dat hij had gedronken. Hij zei dat hij zijn lichaam aanbood als voedsel voor de anderen smeekte ze om hem te doden en te verslinden. We sloegen daar geen acht op. Enige tijd later stelde Manus Schutt voor om te loten wie er opgeofferd zou moeten worden om de anderen in leven te houden. Hiermee stemden allen in. Omdat we niets hadden om lootjes van te maken, sneden we kleine stokjes van verschillende lengte, waarbij Francis Shufus het kortste stokje trok. We waren ook overeengekomen dat er drie keer zou worden geloot en als dan bleek dat twee of drie van ons het kortste stokje hadden getrokken, zij onder elkaar zouden loten om te bepalen wie het slachtoffer werd. Nu bleek dat dezelfde man voor de tweede keer het kortste stokje had getrokken.
      Toen Francis Shufus voor de derde keer moest trekken, aarzelde hij en wilde niet trekken, waarop Sandström voorstelde dat hij het voor hem zou doen. Dat deed hij en Sandström trok het kortste stokje. Shufus nam dit heel kalm op en toonde de grootst mogelijk berusting. Hij werd ongeveer twee uur met rust gelaten terwijl wij zo nu en dan op de doften gingen staan om te zien of er ergens een zeil te zien was of anderszins hulp in aantocht was. Shufus bereidde zich op zijn lot voor door in het Italiaans te praten en te bidden. Hij gaf ons geen afscheidbericht voor zijn vrienden, hoogstwaarschijnlijk omdat hij nauwelijks meer Engels kende dan “Yes” en “No.” Zijn houding was die van een man die een besluit heeft genomen. Omdat er geen hulp kwam en de honger en dorst ondraaglijk waren geworden, zagen we ons genoodzaakt Shufus op te offeren. Hij ging liggen, maar pas nadat August Muller had gezegd dat hij bereid was zijn plaats in te nemen en voor hem te sterven, Dat weigerde Shufus en ging op de bodem van de boot liggen om vastgebonden te worden. Iemand het lege soepblik gereed om het bloed in op te vangen waarna Muller, na te hebben gezegd dat er nu iemand voor de anderen moest sterven, de man de keel afsneed. Hij worstelde of schreeuwde niet.
      We dronken allen van het bloed. Muller sneed de lever en het hart uit het lichaam. Dat sneden we in kleine stukjes en aten het vermengd met bloed en zoutwater op. Tijdens Shufus’ laatste ogenblikken zat ik aan het roer. Het hoofd en de voeten werden weggegooid, de romp en de ledematen stopten we in een van de luchtkasten van onze reddingsboot die we hadden geopend. We vervolgden onze reis.
      Het moet ongeveer 2 uur ’s middags zijn geweest toen Shufus stierf. Ongeveer drie uur later zagen we een schip dat de boot opmerkte en onze kant op kwam. In uitgeputte toestand werden we aan boord geholpen. Het schip was de Java Packet onder kapitein C. Trappen met als thuishaven Amsterdam en van die haven onderweg naar Batavia. We werden goed behandeld en op 2 november arriveerde het schip op de rede van Batavia.


      ------------------------------------------------------------------------------------
      Noten:

      1) Hier verandert het verhaal en lijkt het alsof Archer niet langer zelf aan het woord is. Even verder – noot 2 - keert hij echter terug als alwetend verteller, dus ik heb daar niets aan veranderd. Wat hij daar aan proviand opsomt, moet alleen de proviand voor zijn eigen boot zijn geweest. “Bouilli” is gekookt vlees en dan speciaal rundvlees.

      2) Hier gaat Archer weer in de eerste persoon verder als degene die de verklaring aflegde. Dat een “pint” ruim een halve liter is, 0,56826 liter om precies te zijn, mag als bekend worden verondersteld, vandaar dat ik dat niet heb omgezet naar de bij ons gebruikelijke maat.

-----------------------------------------------------------------------Afbeelding

Tot zover het officiële rapport van de 2de stuurman van de EUXINE. Op 2 november 1874 arriveerde hij samen met de vier andere overlevenden veilig op de rede van Batavia aan boord van de Java Packet, een fregatschip van 680 ton dat in 1862 was gebouwd op de werf “De Boot” van F.F. Groen te Amsterdam. Ze voer voor rederij G.W. van Barneveld Kooy te Amsterdam, sinds 1870 onder commando van kapitein Carl August Trappen die lid was van het College Zeemanshoop te Amsterdam. Vlagnr. A 828.
Vooral omdat de vijf overlevenden van de Euxine in Batavia aan land kwamen, berichtten zowel de kranten in Nederland als die in Nederlands-Indië over de schipbreukelingen en hun gruwelijke ervaringen. In Nederland niet zo erg uitgebreid, want dat er een kolenschip door brand verloren was gegaan, was, zoals we in een vorige aflevering hebben kunnen vaststellen, niets bijzonders. En dat de schipbreukelingen door honger en dorst gedreven tot kannibalisme waren overgegaan, was ook niet uitzonderlijk. Zelf deden ze daar dan ook bepaald niet geheimzinnig over. Dat was nu eenmaal zeemansgebruik, de custom of the sea, een common law, gewoonterecht. Wel was het natuurlijk bijzonder tragisch dat ze zo kort nadat Francis Shufus was gedood, waren opgepikt, maar dat had niemand kunnen voorzien. Ze waren niet overhaast te werk gegaan en hadden ook nadat het lot Shufus had aangewezen nog enkele uren gewacht voordat hij ook daadwerkelijk werd gedood. Daarvoor en ook in die laatste uren, hadden ze steeds goed uitgekeken of er nergens een schip te zien was.

Met uitzondering van de 2de stuurman James Archer, bestaat er enige onduidelijkheid over de namen van de andere vier geredden. Dat waren vier matrozen en omdat velen in die tijd nauwelijks konden lezen of schrijven en de monsterrol met de hand geschreven werd, werden namen nog al eens verbasterd. Wat ik uit de verschillende verslagen heb kunnen distilleren zijn de volgende namen:
  • James Archer, 2de stuurman, 24 jaar oud, afkomstig uit Dundee
  • Matroos August Muller, 22 jaar, uit Cuxhaven, Duitsland
  • Matroos Alexander L. Vermeulen, 22 jaar, uit Oostende, België
  • Matroos Manus Schutt, 30 jaar, uit Rostock, Duitsland
  • Matroos Victor Sandström, 27 jaar, uit Finland, in die tijd onder Russisch bestuur.
In zijn verslag noemt Archer de naam van de bootsman Peter Jagar die, nadat de boot drie keer over de kop was gegaan, werd vermist. Dit zou Peter Jager geweest moeten zijn en mogelijk van Nederlandse nationaliteit, maar die wordt verder nergens speciaal genoemd. Over de naam van de man die werd gedood, bestaat helemaal verwarring. In zijn verklaring spreekt Archer van een Italiaanse jongen, Francis Shufus. Volgens opgave van de kapitein was het Francis Gioffous. Beide namen zijn verbasteringen van de Italiaanse namen Zuffo of Ciuffu. Op de in Engeland achtergebleven en nog altijd bestaande monsterrol staat een handtekening die met enige moeite ontcijferd kan worden als Franco Gioffey. Zoek het maar uit. In de verslagen en krantenberichten wordt hij steeds aangeduid als Francis Shufus en dus zal ook ik dat doen. Wel staat vast dat hij bepaald geen populair bemanningslid was en het is daarom niet uitgesloten dat dit de loterij heeft beïnvloed. Misschien is er ook helemaal niet geloot, wie zal het zeggen. Dat was destijds niet aan te tonen en nu al helemaal niet meer. Het maakt verder ook weinig uit. August Muller was degene die, terwijl de 2de stuurman Archer juist aandachtig over de achtersteven in het water tuurde, Francis de keel afsneed, waarna iedereen van zijn bloed dronk en zijn hart en lever in hapklare brokken gesneden en vermengd met bloed en zeewater consumeerde.

De vijf mannen werden aan boord van de Java Packet uitstekend verzorgd en in Batavia goed opgevangen. Een lang bericht in het Bataviaasch handelsblad van 3 november 1874, een dag na aankomst van de Java Packet op de rede van Batavia, besluit met…

---------------------------------------------------------------Afbeelding

De Britse consul te Batavia, William Fraser, die niet alleen Archer, maar ook de vier anderen had gehoord, stuurde de vijf mannen op 7 november met het s.s. Namoa naar Singapore, vergezeld van een brief en de verklaringen die hij had opgenomen. Wat er precies in die brief stond, is niet bekend, maar toen ze op 10 november in Singapore arriveerden en de zaak werd overgedragen aan de shipping master aldaar, een zekere Henry Ellis, een gepensioneerd marineofficier en een gezagvoerder met veel ervaring, schrok die behoorlijk. Natuurlijk wist ook hij maar al te goed dat dit soort dingen nu eenmaal gebeurde en had daarom normaal gesproken verder geen actie ondernomen, maar er moet iets in die verklaringen en de brief van de consul hebben gestaan dat hem deed weifelen. Hij besloot te rade te gaan bij de procureur-generaal van Singapore, Thomas Braddell, de man die de regering in Londen van juridisch advies moest dienen. Die bekeek de zaak en zette zijn bevindingen uiteen in een brief aan de Board of Trade in Londen die op 14 november op de post ging. Daarin schreef hij dat er geen noodzaak was voor een gerechtelijk onderzoek en dat de mannen die deze daad hadden gepleegd vrij waren om te monsteren op elk schip dat van hun diensten gebruik wenste te maken. En dus verbleven de mannen in het zeemanshuis in Singapore in afwachting van een schip.

Maar de procureur-generaal was niet de enige die de zaak bekeek en zijn mening hierover aan Londen gaf. De brief van de procureur-generaal bereikte de Board of Trade pas begin januari 1875, maar al eerder, op 12 december 1874, had de gouverneur van Singapore,Colonel Sir Andrew Clarke, het Colonial Office in Londen uitgebreid over de overlevenden van de Euxine ingelicht. Gezien de ontwikkelingen daarna moet dit per telegraaf zijn gebeurd. Dat kon, want sinds 1872 was Londen via Bombay telegrafisch met Singapore verbonden. De gouverneur had uiteraard ook kennis genomen van de bevindingen van de procureur-generaal, maar hij was het duidelijk niet met hem eens dat een gerechtelijk onderzoek niet aan de orde was, want op 20 november gaf hij opdracht om de mannen, in afwachting van nadere berichten uit Londen, onder politiebewaking te stellen. Het is zeer wel mogelijk dat dit besluit mede werd ingegeven door een ingezonden brief in de Singaporese Daily Times van de hand van ene Captain G.H. Harrington, een man met “veertig jaar ervaring in het zeemansleven”, zoals hij zelf schreef. Hij gaf een overzicht van de gebeurtenissen, “opgetekend uit de mond van de mannen zelf.” Hij toonde in die brief geen enkele sympathie of mededogen met de vijf schipbreukelingen, maar sprak van een “atrocious murder” – een afschuwelijke of wrede moord. Dat was heel iets anders dan de tot dan toe algemeen aanvaarde opvatting dat dit nu eenmaal gebeurde, dat het de “custom of the sea” was. Captain Harrington riep op tot actie om voor eens en voor altijd een einde te maken aan deze gruwelijke gewoonte. Na te hebben gemeld wat hij van de mannen zelf had gehoord, besloot hij zijn brief met…
    • Ik vertrouw erop dat in het belang van de mensheid en het vertrouwen in mijn collega-zeelieden, onverschillig van welke nationaliteit zij ook mogen zijn, stappen zullen worden ondernomen om deze menseneters voor het gerecht te brengen en dat vanuit Singapore het signaal moge uitgaan dat zeelieden onder geen enkele omstandigheid en hoe groot hun lijden ook moge zijn, gerechtigd zijn om een der hunnen op te offeren om zelf in leven te blijven.
      Uit eigen, ruim veertigjarige ervaring weet ik dat dergelijke verhalen gedurende lange, eentonige nachtwachten eindeloos worden doorverteld waarbij ze ongemerkt tot de conclusie komen dat het onder bepaalde omstandigheden toelaatbaar is om een van de hunnen op te offeren … Hoe eerder zij over deze gedachte uit de droom worden geholpen, hoe beter het is.
Hij riep in voorkomende gevallen op tot gebed in plaats van kannibalisme. In dezelfde krant werd bovendien in een redactioneel commentaar opgeroepen tot een gerechtelijk onderzoek, omdat, zo betoogde de hoofdredacteur: zeelieden moesten weten of dergelijke offers wel of niet gewettigd waren. Ze hadden in deze kwestie behoefte aan juridisch advies.

------------------------------------------------------Afbeelding

De gouverneur was het in principe met hem eens, maar was tegen een rechtszaak in Singapore – een afgelegen gebiedsdeel, zoals hij het noemde – en was van mening dat een behandeling door een Britse rechtbank noodzakelijk was, vooral omdat van de vijf betrokkenen alleen de tweede stuurman Archer een Brit was en de man die de moord had dienen te voorkomen. Bovendien, zo voerde hij aan, waren er geen eerdere zaken waar een plaatselijke rechtbank op kon terugvallen, waardoor ze mogelijk niet zouden weten wat te zeggen.
In een codetelegram gaf het Colonial Office de gouverneur echter opdracht om plaatselijk een gerechtelijk onderzoek in te stellen en stuurde de desbetreffende documenten naar de Board of Trade. Men was van mening dat dit soort zaken behandeld moest worden op de plaats waar de verdachten waren aangehouden, in dit geval dus Singapore. Voor wat het Colonial Office betrof, was de zaak daarmee afgedaan.

Hoe dat vervolgens juridisch allemaal ging, voert me wat te ver en is voor velen mogelijk niet interessant. Wie daar meer van zou willen weten, kan het voor het grootste deel op het internet vinden, of anders in het boek van Brian Simpson dat ik bij mijn bronnen, onderaan dit stukkie, noem. Op 15 januari diende de zaak voor de politierechter van Singapore, een zekere Captain Douglas. Zijn taak was het verzamelen van de verklaringen van de getuigen à charge waarna hij een advies moest uitbrengen of de verdachten voor een rechtbank en een jury terecht zouden moeten staan.
Het werd, oneerbiedig uitgedrukt, nogal een zootje. Tegengestelde meningen en onwillige getuigen maakten het er allemaal niet eenvoudiger op. De Java Packet lag nog steeds in Batavia, maar alleen kapitein Trappen was bereid een verklaring af te leggen tegenover de Britse consul. Net als de overige bemanningsleden was hij echter niet bereid om vrijwillig naar Singapore te komen om daar als getuige à charge op te treden. Mogelijk zal hij, net als velen in die tijd, van mening zijn geweest dat Archer en de vier matrozen niets te verwijten viel.
De shipping master van Singapore, Captain Henry Ellis, de man die als eerste de rapporten van de Britse consul in Batavia onder ogen had gekregen en de zaak vervolgens aan de procureur-generaal had overgedragen, was die mening ook toegedaan. Hij was zelf schipbreukeling geweest en toen hem werd gevraagd of hij de mannen van de Euxine verantwoordelijk voor hun daden achtte, antwoordde hij: “Absoluut niet. Ik ben van mening dat ze niet in staat waren goed van kwaad te onderscheiden.” Toen hem werd gevraagd of hij op de hoogte was van eerdere gevallen waarbij schipbreukelingen hadden geloot wie er moest sterven, zei hij: “Jazeker. Zo’n twintig, vijfentwintig jaar geleden, kwam dit maar al te vaak voor. Ik heb nooit gehoord dat daar ooit iemand voor gestraft is.” Desgevraagd zei hij ook nog dat hij wel eens iemand had ontmoet die samen met anderen een man had opgegeten.

--------------------------------------------------------Afbeelding
--------------------------------------------------------Bark Cospatrick - The Graphic 9 Jan 1875

Al met al zat die politierechter daar in Singapore aardig met de zaak te kijken. Bovendien speelde in diezelfde tijd ook nog het tragische geval van het emigrantenschip Cospatrick, een bark van het type Blackwall frigate, die op 11 september 1874 met 433 passagiers en 44 bemanningsleden van Gravesend was vertrekken met bestemming Auckland, Nieuw-Zeeland. Onder die 433 passagiers waren 429 emigranten waarvan 125 vrouwen en 126 kinderen. Tijdens de reis overleden acht heel jonge kinderen en werd er eentje geboren, wat het aantal passagiers per saldo met zeven verminderde.
Aanvankelijk verliep de reis heel normaal, tot er op 17 november kort na middernacht brand uitbrak in het kabelgat. Hoe die precies was ontstaan, is nooit bekend geworden, maar het vermoeden bestaat dat een aantal passagiers met hulp van bemanningsleden bezig was geweest om bij het licht van olielampen en kaarsen uit de lading te stelen. Daar zaten veel bandbare stoffen bij zoals een grote partij lijnolie en maar liefst 5732 gallon, dat is dik 26.000 liter rum. Hoe het ook zij, het vuur greep snel om zich heen, er ontstond paniek en het schip moest overhaast worden verlaten. Ze bevonden zich op dat moment op ongeveer 400 mijl zuidwest van Kaap de Goede hoop, pakweg 2000 mijl bezuiden St. Helena.
Zoals in die tijd gebruikelijk waren en lang niet voldoende reddingmiddelen; er waren vijf boten voor in totaal niet meer dan 187 mensen en van die vijf boten konden er maar twee worden gestreken. Uiteindelijk kwamen er niet meer dan zestig mensen in die twee boten terecht, boten zonder proviand en zonder drinkwater. Wel had iemand het karkas van een schaap in een van de boten gegooid, maar dat werd wegens plaatsgebrek overboord gezet. Al met al natuurlijk een onvoorstelbare toestand en het valt dan ook niet te verwonderen dat er uiteindelijk niet meer dan vijf overlevenden waren. Die werden negen dagen later, op 27 november, opgepikt door de British Sceptre. Twee van de geredden overleden twee dagen nadat ze waren opgepikt, waarna er uiteindelijk op 6 december maar drie overlevenden op St. Helena aan land waren gebracht. Dat waren de tweede stuurman Henry McDonald, kwartiermeester Thomas Lewis en matroos Edward Cotter. Die wilden wel praten en maakten er geen geheim van dat ze noodgedwongen hun toevlucht hadden moeten nemen tot kannibalisme. Ze hadden het vlees van overledenen gegeten, zeiden ze, maar hoe die overleden waren, bleef wat vaag. Was er ook gemoord? Een en ander werd in de Britse pers breed uitgemeten en er was zelfs een journalist die het schip waarmee de drie mannen van St. Helena naar Londen werden gebracht, tegemoet reisde om hun verhalen exclusief te kunnen optekenen. Dat moet een van de eerste, zo niet het allereerste geval van chequeboekjournalistiek zijn geweest. Er werd door de rest van de Britse pers schande van gesproken, maar daar zal die journalist zich weinig van hebben aangetrokken.
Edward Cotter bleek de meest spraakzame te zijn en hij was degene die vertelde dat de grootste, de dikste en de gezondst uitziende er als eersten aan waren gegaan, wat doet vermoeden dat er geen sprake was geweest van een natuurlijke dood en dat er ook niet was geloot wie er moest sterven, maar dat ze de vetsten gewoon de hals hadden afgesneden. Zelf had Cotter maar twee keer meegegeten, vertelde hij, maar wel was hij er telkens als er iemand de hals werd afgesneden als de kippen bij geweest om bloed te drinken.
Van het drietal – tweede stuurman Henry McDonald, kwartiermeester Thomas Lewis en matroos Edward Cotter – leek Thomas Lewis deze toch wel traumatische ervaring nog het beste te hebben verwerkt. Hij ging weer naar zee, verloor door een ongeluk een van zijn benen en stierf in 1884 thuis, in zijn dorp. Tweede stuurman McDonald werd steeds somberder en op den duur zelfs agressief en stortte uiteindelijk geestelijk volledig in. Hij overleed krap tien jaar later in een psychiatrische inrichting in Dundee. Edward Cotter was nog geen 18 jaar toen het gebeurde. Hij trad, zoals dat in die tijd vaker met zulke mensen ging, een poosje op in een show als “De Verschrikkelijke Menseneter” of zoiets en verwierf daarmee zelfs grote bekendheid. Het succes moet hem te veel zijn geworden, want hij raakte zwaar aan de drank en ging volledig naar de bliksem. Dat belette hem niet om 84 jaar oud te worden; hij overleed in 1941.

Maar dit speelde dus allemaal in de tijd dat de zaak van de vijf mannen van de Euxine in Singapore werd behandeld en het spreekt vanzelf dat een en ander ook daar in de pers breed werd uitgemeten. Dit moet het voor de politierechter allemaal nog moeilijker hebben gemaakt. Op 11 februari 1875 werd de zaak voortgezet. Het Openbaar Ministerie had de Duitse matroos Manus Schutt intussen zover weten te krijgen dat hij bereid was om als kroongetuige op te treden en tegen de tweede stuurman Archer als de verantwoordelijke officier en matroos August Muller, de man die de Italiaan uiteindelijk de hals had afgesneden, te getuigen. Muller was ook een Duitser, maar hij had de Britse nationaliteit aangevraagd en was in afwachting van goedkeuring daarvan. Alexander Vermeulen en Victor Sandström hadden geweigerd om tegen Archer en Muller te getuigen, wat voor de politierechter voldoende was om ook hen te vervolgen op beschuldiging van moord. Als datum voor de zitting waarbij dat zou worden behandeld, werd 12 april vastgesteld.
Maar achter de schermen bleef het rommelen en was men het lang niet met elkaar eens. Als de Kroon niet met meer en vooral overtuigender bewijs zou komen, leek de kans op een veroordeling niet groot. De Britse consul in Batavia leek een geschikte getuige omdat hij de vijf mannen als eerste had gesproken en hun verklaringen had opgenomen. De gouverneur van Singapore vroeg hem om gedetailleerd uit te leggen hoe die verklaringen van de geredden tot stand waren gekomen en zelf naar Singapore te komen om als getuige op te treden.
De consul antwoordde met een brief waarin hij alle medewerking weigerde. Hij zei dat er wat hem betrof niets meer roe te voegen was aan de verklaringen die hij aan de shipping master had gestuurd, verklaringen die de mannen van de Euxine geheel vrijwillig en onder ede hadden afgelegd. Ze hadden zich tijdens hun verblijf te Batavia heel rustig gedragen en daarmee was de zaak wat hem betrof afgedaan. En omdat hij noch zijn staf verder ook maar iets toe te voegen had, leek het hem zinloos om naar Singapore te komen om daar als getuige op te treden.
Intussen waren de oorspronkelijke verklaringen dan toch eindelijk bij de Board of Trade in Londen aangekomen, maar ook daar zagen ze niets in een strafrechtelijke vervolging. De man die ze had bekeken en zijn oordeel moest geven, zei dat ze het spul eigenlijk door moesten sturen naar Binnenlandse Zaken, maar dat ook daar niets ondernomen zou worden. Hij was van mening dat de mannen niet verantwoordelijk konden worden gehouden voor hun daden en dat er niets te winnen viel bij een vervolging en mogelijke straffen. Dat de mannen met deze ervaring verder moesten leven, leek hem op zich voldoende straf.
Dat was ook de mening van anderen in Londen die over dit soort zaken iets te zeggen hadden. Niemand leek gebaat bij een vervolging. De details waren te afschuwelijk en als die bij het publiek bekend werden, zou dit alleen maar een hoop onrust teweegbrengen. Bij de Board of Trade wisten ze op dat moment niet dat er in Singapore al voorbereidingen werden getroffen voor een strafrechtelijke vervolging en een klerk schreef simpelweg achter de naam van de Italiaanse jongen Francis Shufus, om wie dit allemaal ging: “Door de bemanning gedood voor voedsel.”
Nogmaals: al met al was het een zootje. De verdachten zaten in Singapore terwijl de bewijzen van hun daden in Batavia en Londen waren. Uiteindelijk zagen de autoriteiten in Singapore zich genoodzaakt om de hele zaak maar liever te vergeten en spraken een nolle prosequi uit, wat een mooi Latijns equivalent is voor: “We zien er verder maar van af want dit wordt niks.” Dit besluit werd op 1 mei naar het Colonial Office in Londen gestuurd, klaarblijkelijk niet telegrafisch maar per post, want daar kwam het pas op 7 juni aan.
Dat viel daar dan weer niet zo lekker, hoewel ze ook niet goed wisten hoe het nu verder moest. Als deze mannen in Engeland terecht zouden staan, zou de verdediging geen spaan heel laten van het bewijsmateriaal, want dat was het in feite niet of nauwelijks. De verklaringen die de mannen hadden afgelegd konden niet als "bekentenissen" worden beschouwd omdat ze onder ede en uit eigen vrije wil waren afgelegd, op een moment dat er nog geen sprake was van een strafrechtelijke vervolging en ze daar dus ook niet voor waren gewaarschuwd. En de matroos Manus Schutt was dan wel omgeturnd tot kroongetuige, hij was tevens medeplichtig waardoor zijn verklaring alléén niet rechtsgeldig was, maar door minstens één andere getuige moest worden ondersteund en daar was niemand toe bereid. Nog afgezien van het feit dat de verdediging vrijwel zeker noodzaak zou pleiten, zou een Britse jury de mannen op deze gronden en met dit zwakke bewijsmateriaal nimmer voor moord veroordelen, maar hoogstens voor "onwillige manslag". De kans dat ze dat ze zouden worden vrijgesproken was echter nog veel groter en dat zou, zo was men van mening, hoogst ongewenst zijn. Dat zou bij zeevarenden de indruk kunnen wekken dat het wettelijk toegestaan was om collega's op te eten. Het zou, zo drukte iemand het uit, "de levensverwachting van scheepsjongens aanzienlijk verminderen."

Door de grote afstand en de trage uitwisseling van berichten, praatten en werkten Londen en Singapore aardig langs elkaar heen. Mochten ze in Londen de zaak dan maar liever in de doofpot hebben gefrommeld, de procureur-generaal van Singapore was nog steeds van mening dat er een gerechtelijke uitspraak moest komen, maar dan niet in Singapore, maar door een Brits gerechtshof. En dus wilde hij de vijf mannen met het marineschip H.M.S. Adventure naar Engeland sturen. Niet als passagiers, maar als arrestanten, dus aan boord ingesloten. Hij was zich ervan bewust dat dit onwettig was omdat de mannen nog altijd niet officieel in staat van beschuldiging waren gesteld, maar hij redeneerde dat het hoogst onwaarschijnlijk was dat ze in Engeland een aanklacht zouden indienen wegens onrechtmatige opsluiting en zelfs als ze dat deden, zou geen enkele Engelse jury ze een schadevergoeding toekennen.

------------------------------------------------------------------Afbeelding
----------------------------------------------------------------------------------s.s. NESTOR (1868) - Alfred Holt & Co. Liverpool

Het bericht dat het de bedoeling was om de mannen naar Engeland te sturen, bereikte het Colonial Office in Londen op 7 juni. Daar was men van mening dat het onwettig was om ze naar Engeland te sturen en na dat nog eens van alle kanten te hebben bekeken en overlegd, stuurden ze een week later, op 14 juni, een telegram naar Singapore waarin de autoriteiten aldaar werd opgedragen de mannen niet naar huis te sturen. Daarnaast stuurde het Colonial Office een brief naar de Board of Trade waarin werd voorgesteld de mannen gewoon in Singapore te laten. Groot was hun verrassing toen er op 16 juni een telegram uit Singapore kwam waarin werd gemeld dat de mannen van de EUXINE al bijna een maand op zee zaten, op weg naar Engeland. Niet met een oorlogsschip, maar met het s.s. NESTOR, een passgiers- en vrachtschip van Andrew Holt dat al op 22 mei van Singapore was vertrokken.
Hierna gaf iedereen de ander de schuld van dit geklungel, maar nadat de Nestor op 9 juli in Londen was aangekomen, waren ze het er nog steeds niet over eens wat er nu verder moest gebeuren. De beschuldiging van moord was nog altijd niet ingetrokken en dus werden de mannen vooralsnog vastgehouden. Pas op 13 juli kwam men tot de conclusie dat een verdere vervolging niet raadzaam was, maar toch duurde het nog tot 22 juli voordat de mannen van de Euxine eindelijk werden vrijgelaten. De Britse autoriteiten konden alleen maar hopen dat ze geen eis tot schadevergoeding zouden instellen wegens wederrechtelijke gevangenhouding en dat hebben ze klaarblijkelijk ook nooit gedaan. Wonder boven wonder kreeg de pers ook geen lucht van het verhaal en zodoende liep het voor de autoriteiten met een sisser af. Wel wrden drie van de vier niet-Britse bemanningsleden onder zachte dwang overgehaald een stuk te tekenen waarin ze de de eigenaar van de Euxine Sir Edward Bates en ook de scheepsofficieren vrijwaarden van alle verdere wettelijke aansprakelijkheid.

Maar al met al hadden de Britse autoriteiten, het Openbaar Ministerie, het Colonial Office en de Board of Trade natuurlijk een enorme zeperd gehaald en zo voelden ze dat ook. Er waren mensen, vooral rechters, die op wraak zonnen, die koste wat kost een eind wilden maken aan de Custom of the Sea. Het zou echter nog tien jaar duren voordat zich een nieuwe kans aandiende en dat was in 1884, toen kapitein Thomas Dudley en stuurman Edwin Stephens van het jacht Mignonette, werden gearresteerd op verdenking van moord op de 17-jarige scheepsjongen Richard Parker.
Daarmee zijn we dan bijna full circle gekomen, terug op het punt waar ik dit verhaal begon. Voor deze aflevering rest mij alleen nog te vertellen dat wat de vijf mannen van de Euxine betreft alleen bekend is hoe het de 2de stuurman James Archer verder verging. De vier anderen zijn in de vergetelheid geraakt. Archers 2nd Mate’s ticket was op de Euxine verloren gegaan, maar hij kreeg een mooi, nieuw diploma. In september 1876 haalde hij in Dundee zijn 1st mate’s ticket en in 1878 zijn master’s certificate. Zijn eerste commando was in 1879, op de Lotus en zijn laatste schip was de Matin. Archer ging in 1911 met pensioen. Hij moet de zaak van Dudley en Stephens destijds op de voet hebben gevolgd, maar voelde zich duidelijk nhiet geroepen om zich ermee te bemoeien. Wel meldde een in Plymouth verschijnend weekblad dat een oud-politierechter uit Singapore, een zekere Captain Douglas, Tom Dudley in de gevangenis had bezocht, maar wat daarbij besproken is, vermeldt de geschiedenis niet.
Wat de betrokkenheid van Samuel Plimsoll bij dit alles was, komt mogelijk in een volgende aflevering nog aan de orde. Mogelijk; dat staat zeker nog niet vast. Misschien wordt het me ook te veel en bewaar ik dat voor een apart topic. Er is over Plimsoll immers zoveel te vertellen en dat vergt opnieuw nogal wat research. Misschien sluit ik liever af met in aflevering 10 écht full circle te komen, terug naar dat onzinverhaal van D.W. Buffa waar ik mee begon. Een draak van een boek waar, zoals nu al zo vaak opgemerkt, echt geen hout van klopt, maar dat desondanks toch interessant is in dit hele verhaal.

------------------------------------------------------------------------------------Afbeelding

--------------------------------------------------------------
©2015 Theo Horsten
Bronnen voor deze aflevering o.a.:
Edward Leslie - Desperate Journeys, Abandoned Souls - Macmillan London 1989 - ISBN 0 333 49963 8
A.W. Brian Simpson – Cannibalism and the Common Law – King Penguins 1986 – ISBN 0-14-008381-2

Wie meer wil lezen over de ramp met het emigrantenschip Cospatrick raad ik het boek van Charles R. Clark aan – Women and Children Last - The Burning of the Emigrant Ship Cospatrick.
Otago University Press, Oxford, New Zealand 2006 – ISBN 1 877372 14 5

Omnia transit sed navigare necesse est

Gebruikersavatar
jdbvos
Berichten: 7592
Lid geworden op: 22 apr 2006 16:17
Locatie: Groningen
Contacteer:

Re: Kennis van zaken

Bericht door jdbvos »

Ze kunnen er zó een film van maken Theo ! Het draaiboek ligt k&k bij jou op de plank !
Oost, west...ook best



Plaats reactie